In kader van een onderzoek naar gebruik van bodycams uitgevoerd door het COC ( controleorgaan op de politionele informatie) hebben wij de teksten mogen ontvangen.

Hierbij de conclusies en aanbevelingen :

Uit het onderzoek blijkt dat het gebruik van bodycam door de politiediensten in razend snel tempo toeneemt. De specifieke doeleinden waarvoor de bodycam wordt ingezet zijn verschillend. Dat is vooral te wijten aan het ruime toepassingsgebied van artikel 25/3 § 1, WPA. Het begrip ‘niet-besloten plaatsen’ laat toe dat bodycam in zeer uiteenlopende situaties kan gebruikt worden. Tegelijk is het noodzakelijk dat duidelijkheid wordt verschaft over het begrip ’interventie’.

De in het onderzoek betrokken politiezones maken een fictief onderscheid tussen het dragen en het effectief activeren van de bodycam. Pas bij het ‘activeren’, en dus effectief gebruiken, van de bodycam wordt door de politiezones aangenomen dat er sprake is van opname van beelden en audio. Nochtans worden reeds beelden en, naargelang de keuze van de politiezone ook audio, opgenomen in de stand-by of buffermodus. Deze ‘pre-opname’ van gegevens is evenwel niet in de WPA voorzien, zodat de opname van gegevens zonder dat de betrokkene van de opname wordt verwittigd niet alleen strijdig is met de WPA, maar ook als een onwettige verwerking van persoonsgegevens beschouwd moet worden.

Ondanks dat de situaties waarbij de bodycams moeten gedragen worden en kunnen gebruikt worden in lokale richtlijnen of een dienstorder worden vastgelegd, beschikt de operationele politieambtenaar over een zekere en zelfs ruime autonomie om te beslissen wanneer de camera effectief wordt geactiveerd, en dus beelden (en audio) worden opgenomen. De omvang van de autonomie van de operationele politieambtenaar wordt mede bepaald door de interne hiërarchie (op het terrein) en de principes van proportionaliteit en subsidiariteit. Het COC pleit in deze voor een zekere mate van uniformiteit binnen de hele GPI rond het gebruik van de bodycam. Mogelijks kan een richtlijn van de bevoegde Ministers hier een middel toe zijn. Het Controleorgaan is van oordeel dat de korpschef de eindverantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de bodycam, onverminderd de toepassing van de artikelen 70, 152 of 260 van het Strafwetboek.

De datum van aanvang van de bewaartermijn is de datum waarop de gegevens op de bodycam worden opgenomen, ook al worden de gegevens niet op dezelfde dag in de politionele gegevensbank van de politiezone opgeslagen.

Sommige politiezones voorzien in een regeling voor de toegangsrechten van de politieambtenaar die de bodycam heeft gebruikt. Deze regeling staat evenwel los van de toegang tot de beelden zoals geregeld in artikel 25/7 WPA, dat voorziet in afzonderlijke toegangstermijnen naargelang de toegang kadert binnen een opdracht van bestuurlijke dan wel gerechtelijke politie. Het betreft bijgevolg een uitwerking van het principiële recht van inzage van de betrokkene. Er valt dan ook niet in te zien waarom dezelfde rechten niet zouden gelden voor de betrokkene (burger) van wie beelden zijn opgenomen, behalve wanneer de opnames een operationele behoefte hebben.

Het gebruik van bodycams doet rijzen vragen naar de verenigbaarheid van de opname van audio met artikel 259bis van het Strafwetboek en het Cassatiearrest van 17 november 2015.

n de (actueel veel voorkomende) hypothese dat reeds gegevens worden verwerkt in de stand-by of buffermodus is dit strijdig met de overeenstemmende bepalingen van de WPA en, desgevallend, ook met artikel 259bis van het Strafwetboek en het Cassatiearrest van 17 november 2015. Ook nadien bij de werkelijke activering, blijft er enige onzekerheid bestaan over de verenigbaarheid van de audio opnames met artikel 259bis Sw. ten aanzien van al die politieambtenaren die niet rechtstreeks betrokken zijn bij het gesprek/de communicatie.

Ook wat betreft het niet-zichtbaar gebruik van bodycams is de verenigbaarheid met artikel 259bis van het Strafwetboek niet helder.

Het Controleorgaan beveelt daarom aan een heldere afwijkende wettelijke regeling in de WPA in te schrijven rond het geoorloofd karakter van de audio-opnames.

Het Controleorgaan beveelt aan de waarschuwing zoals voorzien in artikel 25/2 § 2, 2°, b) WPA te schrappen, minstens niet meer verplichtend te maken.

Om deze redenen,
het Controleorgaan op de politionele informatie, doet de volgende vaststellingen, neemt de volgende beslissingen en verleent de volgende aanbevelingen,

  1. beveelt aan meer duidelijkheid te verschaffen over en rond het begrip ’interventie’;
  2. oordeelt dat, wanneer tijdens het louter dragen van de bodycam reeds persoonsgegevens van derden worden verwerkt, deze verwerking een inbreuk vormt op artikel 25/2 § 2, 2°, b) WPA en de artikelen 28 en 33 § 1 WGB doordat persoonsgegevens worden verwerkt zonder dat de betrokkene werd gewaarschuwd, en, daarom, zowel feitelijk als juridisch sprake is van heimelijk cameragebruik.
  3. oordeelt dienvolgens ook dat het opnemen van gesprekken in de stand-by modus zoals hoger beschreven van personen die wel of niet deelnemen aan de interactie strijdig is met artikel 259bis Sw. juncto artikel 25/2 § 2, 2°, b) WPA;
  4. beveelt aan de bevoegde Ministers aan een maximale uniformiteit op te leggen of minstens na te streven in het gebruik van de bodycam door middel van een Ministeriële richtlijn;
  5. stelt vast dat de korpschef van de lokale politie of de commissaris-generaal van de federale politie de eindverantwoordelijkheid draagt voor het gebruik van de bodycam en als verwerkingsverantwoordelijke moet aanzien worden;
  6. bepaalt dat de datum van aanvang van de bewaartermijn van de beelden/persoonsgegevens, de datum is waarop de gegevens op de bodycam worden opgenomen, ook al worden de gegevens niet op dezelfde dag in de politionele gegevensbank van de politie-eenheid opgeslagen;
  7. verzoekt de politie-entiteiten het recht van inzage van de betrokkene zelf te organiseren door middel van een directe toegang en niet door te verwijzen naar het Controleorgaan dat enkel op nuttige wijze als beroepsinstantie kan optreden ten aanzien van de beslissingen van de verwerkingsverantwoordelijke politiedienst;
  8. beveelt aan een heldere wettelijke afwijkende regeling in de WPA in te schrijven rond het geoorloofd karakter van de audio-opnames die gepaard gaan met het gebruik van de bodycam en rond een minimale termijn van bewaring van de beelden en audio-opnames;
  9. beveelt aan de waarschuwing zoals voorzien in artikel 25/2 § 2, 2°, b) WPA te schrappen, minstens niet meer verplichtend te maken.

 

 

ATO-TOOL NSPV 2021

Uw diensturen bijhouden, gratis voor iedereen.
Download hier.